![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
1. De mythe van de miljarden jaren
De evolutietheorie heeft voor haar draaiboek veel tijd nodig. Daarom hangt
ze de gedachte aan dat het heelal ongeveer 4,6 miljard jaar oud is. Uit het
volgende blijkt dat dit volkomen onjuist is.
1.1 Fossilisatie
Geologen omschrijven het als volgt: Wanneer een dier sterft, wordt het langzaam
met stof bedekt. In de loop van de jaren wordt het bedekt met afzettingen
en zout, en het verdwijnt geleidelijk onder de grond. Na enkele miljoenen
jaren heeft het een enorme diepte bereikt. Door de druk die de opgehoopte
grond uitoefent, raakt het dier geleidelijk versteend.
Fossielen echter bewijzen het tegendeel. Er bestaat een fossiel van een vleermuis.
Een rustende of dode vleermuis zit in elkaar gedoken. Met zijn vleugels omhult
hij zijn lichaam. Hier hebben we echter te maken met een fossiel van een vliegende
vleermuis. Er is ook een fossiel van een vis die een andere opslokt. De vis
had dus niet eens tijd om te eten. Ook zijn er gefossileerde boomstronken
gevonden van 10 meter hoog. Als deze millimeter voor millimeter ingekapseld
waren, zouden ze al heel lang vergaan zijn door blootstelling aan weer en
wind. Bovendien staan ze scheef wat ook duidt op een snelle inkapseling.
1.2 Datering: De vulkaan Hualaleï
Lava is een ideale materie voor radiometrische datering: tijdens een uitbarsting
wordt het uranium gezuiverd van zijn afbraakprodukt. Wanneer de lava stolt,
begint het verweringsproces opnieuw. Het is net alsof deze natuurlijke klok
opnieuw in werking gesteld wordt.
In 1801 was er op Hawaï een uitbarsting van de vulkaan Hualaleï. In 1967, dat wil zeggen 166 jaar later, werden er radiometrische dateringen uitgevoerd op de lava. Volgens de kalium-argon methode had deze een ouderdom van tussen de 60.000.000 en 160.000.000 jaar; volgens de uranium-lood methode een ouderdom van 3.000.000.000 jaar.
We zien dat deze fantastische cijfers niets gemeen hebben met het werkelijke cijfer van 166 jaar! Hoe kan men op een dergelijke dateringsmethode vertrouwen? Het wekt geen verbazing dat de ouderdom van de aarde met behulp van ditzelfde uranium-lood procédé is geschat op het niet minder fantastische cijfer van 4,6 miljard jaar.
Een van de redenen dat dergelijke fouten gemaakt worden, is de volgende: radiometrische datering wordt gedaan met behulp van de lichtsnelheid die als een "standaardmaat" beschouwd wordt. Deze is echter niet constant, maar neemt af. Het is net alsof de standaard-meter bijvoorbeeld twee keer zo klein is geworden: als uw lengte 1,70 meter is, zou u plotseling 3,40 meter lang zijn! Op dezelfde wijze geldt dat als de "standaardmeter" van de tijd kleiner wordt, de verkregen cijfers te hoog uitvallen.
Eigenlijk hebben alleen de Bijbelse geschriften echt gezag waarop we kuunen
bouwen. Als we de tekst nemen zoals deze is, zonder de 24 uur per dag te vervangen
door perioden van verscheidene miljoenen jaren, kan uit de Bijbel een ouderdom
afgeleid worden van "slechts" enkele duizenden jaren.
1.3 De ringen van Saturnus
Na de aarde is Saturnus het juweel van ons zonnestelsel. Deze planeet wordt
gekenmerkt door haar ringenstelsel. De ringen bestaan uit deeltjes materie,
die waarschijnlijk bedekt zijn met ijs. Deze elementen zijn van uiteenlopende
grootte, van een zandkorrel tot een flatgebouw. Ieder deeltje draait in zijn
eigen baan om Saturnus.
Binnen deze kromme kan men de heldere "B-ring" zien en vervolgens een donkere
lijn: de Cassini-scheiding. Door deze scheiding heen is het mogelijk het oppervlak
van de planeet waar te nemen. Aan de buitenkant vindt men de A-ring. De wetenschappers
hebben beweerd dat de Cassini-scheiding enkel en alleen het gevolg was van
de zwaartekracht van de vier "manen", andere satelieten die het dichtst bij
de planeet zijn. Zij zeiden dat deze scheiding een harmonische baan heeft:
bij elke omwenteling zuigen deze manen materie aan die zich in de Cassini-scheiding
bevindt, waardoor stof verwijderd wordt. Men heeft berekend dat deze vier
"manen" slechts een zeer korte tijd nodig hebben om de scheiding volledig
schoon te vegen.
Een van de Amerikaanse ruimtesondes werd ontworpen om door deze scheiding
te vliegen en foto's te nemen van de andere kant van de ringen. Deze foto's
hebben aangetoond dat de ruimte tussen de ringen nog niet helemaal leeg is.
Deze "schoonmaak" in de ruimte kan dus niet miljoenen jaren geleden begonnen
zijn, anders zou de Cassini-scheiding allang stofvrij zijn.
Deze ringen worden al sinds lang geobserveerd. Christiaan Huygens is begonnen
metingen te verrichten. Vastgesteld werd dat de binnenste B-ring zich in de
richting van Saturnus verplaatst. De Russische astronoom Vsechsviatski heeft
berekend dat deze ring binnen 1800 jaar (wat betrekkelijk snel is) op de planeet
zal vallen. Enkele duizenden jaren later zal de A-ring volgen. Het is dus
niet mogelijk dat Saturnus 4,6 miljard jaar oud is, want anders zouden de
ringen al lang te pletter zijn gevallen.
1.4 I.O., satelliet van Jupiter
Jupiter heeft een aantal "manen". De maan die wij gaan bekijken, heet I.O.
Vergeleken met Jupiter (een diameter van 143.640 km) lijkt deze erg klein,
maar ze is vrijwel even groot als de aarde (een diameter van 12.757 km). Tot
verrassing van iedereen liet de ruimtesonde Voyager zien dat I.O. een intense
vulkanische activiteit had. De mate van activiteit is enorm, want ze slingert
materie zodanig weg dat deze in een baan gebracht wordt. Een bepaalde hoeveelheid
wordt zo krachtig uitgestoten dat deze zelfs buiten de invloedssfeer van de
zwaartekracht van I.O. raakt en in de ruimte terecht komt. Deze uitzonderlijke
vulkanische activiteit is weer een bewijs dat het heelal jong is. Deze planeet
raakt zo snel leeg dat ze zeer licht zou moeten zijn. Toch is haar dichtheid
een van de grootste in ons zonnestelsel, groter bijvoorbeeld dan die van onze
maan. De ruimtesonde Voyager heeft nog een ander verschijnsel aangetoond dat
bewijst dat het heelal jong is: Vanaf Jupiter worden gigantische bliksemschichten
uitgezonden die I.O.'s zoutvlakte treffen. Wanneer deze het zout bereiken,
worden aanzienlijke hoeveelheden natrium verdampt en in een baan gebracht.
Als het heelal verscheidene miljarden jaren oud is, zou de planeet Io geen
zout meer hebben, want het tempo waarin deze reusachtige bliksemschichten
voorkomen, is één elke acht seconden!
1.5 Het maanstof
De zogenaamde 'zonnewind' bestaat uit atomaire deeltjes die van de zon weg
snellen met een snelheid van ongeveer 600 kilometer per seconde. De aarde
wordt beschermd voor dit 'hoog-energie bombardement' door de atmosfeer. Maar
de maan ontbeert echter een dergelijke atmosfeer. Dit bombardement erodeert
de rotsen van de maan en de oppervlakte van de maan, en verbrijzelt het tot
stof. Dit proces wordt 'spetteren' genoemd. Verder trekt de maan ook nog ruimtestof
aan dat door het heelal vliegt. Deze stof wordt meteorietenstof genoemd.
De astronoom R.A. Lyttelton, die geloofde dat het heelal verscheidene miljarden
jaren oud was, berekende dat er veel stof op de maan moest liggen: stof veroorzaakt
door het meteorietenbombardement en ook stof dat het gevolg was van de door
zonnestraling veroorzaakte verpulvering van het gesteente. Volgens zijn berekeningen
zou er 45 km stof liggen. Berekeningen van andere wetenschappers wezen op
andere cijfers, maar allen waren ze erover eens dat de stoflaag erg dik zou
zijn. Een dergelijke dikte leverde een groot probleem op voor het Amerikaanse
ruimtevaartprogramma. Voorkomen moest worden dat de maanlander in het stof
zou wegzakken. Daarom bracht men aan alle poten een schotel aan.
De NASA had de astronauten gevraagd het stof goed met hun laarzen uit te proberen,
alvorens de ladder van de maanlander los te laten. Bij zijn terugkomst op
aarde werd Neil Armstrong ondervraagd door de journalist Bob Hope. Op de vraag
"Wat boezemde u tijdens deze expeditie de meeste angst in?" antwoordde Armstrong
onmiddellijk dat zijn grootste angst betrekking had gehad op de dikke laag
maanstof die de wetenschappers voorspeld hadden.
Maar toen Neil Armstrong het stof aan de voet van de maanlander uitgeprobeerd
had, zei hij op de radio: "Ik kan de harde rotsbodem met mijn laars voelen!"
Sindsdien zijn er verschillende maanlandingen geweest en steeds op een andere
plek. Er is zelfs een maanwagen gebruikt: steeds werd vastgesteld dat het
maanstof niet 45 km dik is, maar slechts enkele centimeters.
De evolutionisten, die in verwarring gebracht waren, stelden de theorie van
het regoliet voor: door een hoge vulkaanactiviteit zou 3,5 miljard jaar geleden
de hele maan met een lavalaag bedekt zijn, waardoor het stof niet meer zichtbaar
was. Dat is een manier om vergissingen niet toe te geven en bewijst natuurlijk
niets: door de erosie te verplaatsen van 4,5 miljard tot 3,5 miljard jaar
geleden, verandert het probleem niet. Als het heelal zo oud was, zou men niet
slechts een laag maanstof van slechts enkele centimeters vinden.
1.6 Conclusie
Al deze voorbeelden bewijzen de jonge ouderdom van het heelal. We hebben al
gezien dat de "mutanten" van de evolutie niet kunnen bestaan en dat bovendien
het heelal zo jong is dat ze zelfs niet de tijd zouden hebben om te evolueren.
2. De mythe van de hoofdtijdperken
De zogenaamde miljarden jaren zijn onderverdeeld in hoofdtijdperken en perioden.
Het evolutieproces houdt in dat "geëvolueerde" soorten niet in dezelfde
tijd kunnen leven als de "primitieve" soorten. We zullen aantonen dat ook
dit volkomen onjuist is.
2.1 De mens: tijdgenoot van de dinosaurus
Indrukwekkende namen als het hoofdtijdperk Mesozoïcum (wat betekent tijdperk
van de dieren van het midden) en het hoofdtijdperk Kaenozoïcum (recente
dieren) geven de indruk dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen de
dinosaurus en de mens.
De dinosaurus zou ongeveer 190 miljoen jaren geleden, ruim voor de zoogdieren,
verschenen zijn en geleefd hebben tot het einde van het Krijt. De mens daarentegen
zou pas in het kwartaire tijdperk verschenen zijn, ofwel zestig miljoen jaar
later!
Dit is volkomen onjuist. Er zijn vele oude geschriften, fresco's en verhalen
in vele culturen die vreemde wezens beschrijven. Vaak noemt men deze "draken"
en de beschrijving ervan lijkt zeer veel op die van een dinosaurus.
Het boek Job:
De meeste oude geschriften zijn niet gemakkelijk voor het publiek toegankelijk.
Toch bestaat er een geschrift dat heel eenvoudig te verkrijgen is: het boek
Job.
In hoofdstuk 40, vers 10, begint de beschrijving van een vreemd wezen. Het
Hebreeuwse woord dat in de grondtekst gebruikt wordt, is fonetisch 'behemoth'.
Koning Jacobus van Engeland had een groep vertalers gevraagd een Engelse versie
van de Bijbel te verzorgen. Toen ze bij dit gedeelte kwamen, konden ze de
term behemoth niet vertalen, omdat ze niet begrepen om welk dier het ging.
Uit oogpunt van integriteit gaven ze er de voorkeur aan het woord behemoth
onveranderd in hun vertaling op te nemen. (Ook in de Nederlandse Statenvertaling
is deze weg bewandeld).
Helaas is de Bijbel ook vertaald door theologen met meer respect voor de wijsheid
van de mens dan voor de wijsheid van God, die zich zonder gêne allerlei
vrijheden met de tekst veroorloven. Ze vertalen dit woord door olifant, nijlpaard...
Laten we de beschrijving van het wezen echter eens bekijken:
"Hij spant zijn staart als een ceder, de spieren zijner dijen zijn samengestrengeld": onderzoeken wijzen uit dat de dij van de dinosaurus een spier- en zenuwstelsel had dat hem in staat stelde zijn staart fijdens het verplaatsen rechtop te houden. Bovendien is deze zo groot dat hij vergeleken wordt met een ceder die in de Bijbel macht voorstelt.
"Zijn beenderen zijn buizen van koper": wat een beenderen heeft de behemoth! Het valt des te meer op, wanneer men de soberheid van het Bijbelse taalgebruik kent. Wie echter al skeletten van een dinosaurus gezien heeft, weet dat deze beschrijving beslist niet overdreven is.
"Zie, al is de stroom nog zo sterk, hij deinst niet terug; hij voelt
zich gerust, al bruist een Jordaan tegen zijn muil."
Paleontologen zeggen dat sommige van deze wezens in water van 12 meter diepte
leefden, wat overeenkomt met vier verdiepingen!
Het feit dat de mens reeds bestond in de tijd dat de dinosaurus leefde, geeft
aan dat de verdeling in hoofdfijdperken foutief is: er zitten geen verscheidene
miljoenen jaren tussen het leven van mens en dinosaurus. Dat stelt de evolutieleer
voor een ernstig probleem, omdat de geologische tijdschaal van haar belangrijkste
pijler is ontdaan.
x
De ontdekking van Dr. C. Wilson
De volgende ontdekking gaf de doorslag: Hoewel het vrij normaal is afdrukken
van dinosaurussen te vinden, komt het met zo vaak voor dat daar dichtbij ook
afdrukken van mensen te vinden zijn: dat gebeurde in Mexico en in verschillende
staten van de VS. De beroemdste zijn te vinden in Texas. Toen de geologen
deze zagen, waren ze zeer verrast. Het kalksteen waarin men deze vond, is
een gesteente uit het Krijt, een tijdperk waarin de mens volgens de evolutietheorie
geacht wordt niet te bestaan. Geologen beweerden dat deze menselijke afdrukken
naast die van een dinosaurus kunstig uitgehouwen waren. Op een gegeven moment
verdween dit spoor van dierlijke en menselijke afdrukken onder een rotsachtig
uitsteeksel. Allen waren het erover eens dat alles duidelijk zou zijn voor
iedereen, wanneer het uitsteeksel weggehaald zou worden: als ook daaronder
afdrukken te zien zouden zijn, was een imitatie onmogelijk. De pers werd erbij
geroepen. Er werd zelfs een camera geïnstalleerd. Om aan te tonen of
het om een vervalsing ging, begonnen Dr. Clifford Wilson en zijn team het
rotsachtige uitsteeksel weg te halen waaronder de afdrukken verdwenen. Maar
de afdrukken daaronder waren nog steeds naast elkaar te zien! Zo bestaan de
miljoenen jaren die de mens van de dinosaurus scheiden, slechts in de mythologie
van de evolutieleer.
Leviathan
In het volgende hoofdstuk van de Bijbel vinden we een beschrijving van een
ander indrukwekkend wezen, en opnieuw hebben de oude Bijbelvertalers gezegd:
"We kennen geen schepsel dat bij die omschrijving past", en ze hebben de naam
van dat dier niet vertaald. Ze lieten het staan zoals het stond in de oorspronkelijke
Hebreeuwse tekst: 'leviathan'. De moderne vertalers vervingen dit bijvoorbeeld
door de naam 'krokodil'.
Als we kijken naar enkele aspecten van de beschrijving, zullen we zien of
het overeenstemt met een krokodil. In Job 41:10 staat:
"Uit zijn mond komen fakkels, vuurvonken schieten eruit. Uit zijn neusgaten
komt een damp als uit een kokende en dampende pot." De spotters hebben
deze Bijbelverzen jarenlang aangegrepen om te zeggen: "Zie je wel, mythen
en sprookjes! Zo'n beest heeft er nog nooit bestaan; rook uit zijn neusgaten...!
Nee, het is niets anders dan een mythe en een sprookje."
En jammer
genoeg hebben veel christenen meer eerbied gehad voor de wijsheid van de mens
dan de voor wijsheid van God. Zij redeneerden als volgt: "De wetenschap moet
het wel bij het juiste eind hebben, want een dergelijk beest kan er nooit
bestaan hebben; misschien moet je dit geestelijk opvatten, maar letterlijk
is het in ieder geval niet waar.
Deze geschiedenis heeft een interessante wending genomen toen men in Wales,
Groot-Brittannië, een interessant insect ontdekte: de kanonnierkever.
Dit beestje heeft achterin twee 'kanonnen'. Wanneer hij wordt achtervolgd
door een ander beest, bijvoorbeeld een pad, dat hem wil opeten, dan schiet
hij zijn kanonnen af en de pad blijft achter met een verbrande snuit. Zo draagt
de kever in feite een chemische wapenfabriek met zich mee.
Een blaas in het lichaam van de kever produceert de chemicaliën hydroquinoxyde
en peroxyde. De stoffen komen terecht in een opslagholte, waar ze stabiel
gehouden worden door een stabilisator-enzym zodat ze niet exploderen. Wanneer
de kever zijn kanon wil afschieten, spuit hij een mengsel van de stoffen in
de explosiekamer. Deze is omgeven door enzymenklieren. Als het tijd is om
in actie te komen, worden de enzymen vermengt met de stoffen, en zorgen voor
destabilisatie. De reactie die volgt, is krachtig: er volgt een explosie die
ervoor zorgt dat de kever zijn kanonnen afschiet.
In een interessant artikeltje over de kanonnierkever komt dr David Rosevear
tot de volgende conclusie: de overblijfselen van sommige dinosaurussen vertonen
in de schedel holtes die lijken op die die aan de achterkant van de kanonnierkever
zorgen voor de produktie, opslag en afvuren van hete gassen. De bouw van de
Corythosaurus, Lambeosaurus en Parasaurolophus doen vermoeden dat deze grootse
wezens uit het verleden hete gassen konden uitstoten door hun neusgaten.
Als we eens kijken naar de Lambeosaurus, dan wordt het duidelijk dat een kanonnierkever naast een dergelijke gigant nauwelijks te zien valt. Wanneer we nu de chemische reacties die plaatsvinden in de kever vergroten tot de schaal van deze enorme dinosaurus, dan kunnen we voorstellen wat voor een vuurwerk er te zien valt wanneer dit dier zijn kanonnen afvuurt. De voorkant van zijn bek bestaat alleen uit been: vlees en huid ontbreken, omdat dit geroosterd zou kunnen worden tijdens een 'vuurwerkvertoning'.
Het lijkt erop dat de wetenschappers zich vergist hebben. De Bijbel heeft
altijd gezegd dat dergelijke beesten hebben bestaan, en had gelijk. En in
dezelfde Bijbel staat dat die beesten bestonden in de tijd van Job: ze leefden
dus in dezelfde tijd als de mens.
2.2 Een hamer uit het tijdperk van de ongewervelde dieren
Het Ordovicium wordt geacht een zeer oud tijdperk te zijn geweest, 441 tot
504 miljoen jaar voor de mens leefde. Dit tijdperk zou ongeveer 150 tot 200
miljoen jaar voor het leven van de eerste dinosaurussen hebben plaatsgevonden!
Het Ordovicium maakt deel uit van het "tijdperk van de ongewervelde dieren":
volgens de evolutietheorie ontstonden toen de koralen, tweekleppigen, zeesterren
en de eerste koppotigen. Het leven zou zich grotendeels onder water afspelen.
Pas tegen het eind van het Ordovicium zouden de eerste vormen van leven op
het land verschenen zijn: mossen, leverbloempjes, schorpioenen, spinnen...
Uit een laag zandsteen werd een speciaal monster genomen. Deze werd geïdentificeerd
als alkomstig uit het Ordovicium, vanwege de aanwezigheid van plaatkieuwigen
die kenmerkend waren voor dit oude tijdperk.
Dit stuk zandsteen bevat een fossiel die onbetwistbaar aantoont dat de hypothese
van de evolutie fout is: er zit een stuk sparrenhout in. De enige plantengroei
die men zou moeten tegenkomen, zijn echter mossen en leverbloempjes... Een
dusdanig "geëvolueerde" plant als de spar zou pas miljoenen jaren later
moeten verschijnen!
Maar dat is nog niet alles: dit stuk sparrenhout vormt de steel van een hamer
(het is met eigen ogen te zien in het museum van dr Carl Baugh, Glen Rose,
Texas).
We zien dat het enige wezen dat in staat was een dergelijk werktuig te maken,
reeds leefde en werkte! Wat een verschil met een planeet die alleen maar bevolkt
is met schorpioenen, spinnen... Ook hier is een greintje eerlijkheid voldoende
om te begrijpen dat de theorie van de miljoenen, in hoofdtijdperken onderverdeelde
jaren die een evolutie van de soorten suggereren, slechts een mythe is.
2.3 Het oog van de trilobiet
Het begin van het "tijdperk van de ongewervelde dieren" kent volgens de evolutietheorie
een periode van 80 miljoen jaren, het Cambrium; voor die tijd waren er slechts
eencellige wezens.
We staan aan de voet van de geologische tijdschaal, dat wil zeggen ongeveer
370 tot 500 miljoen jaren terug in de tijd. Het kenmerkende fossiel van het
Cambrium is de trilobiet.
De trilobiet is slechts twee centimeter lang. Dit dier wordt voorgesteld als een beginfase van het zogenaamde evolutieproces. En toch heeft de trilobiet ogen! Sommige trilobieten zijn zo goed bewaard gebleven dat er proeven zijn gedaan met hun ogen, die als fotografische lenzen gebruikt zijn. Onderzoekers zeggen dat het resultaat uitstekend is, hoewel minder dan van bewerkte lenzen.
Het oog is echter een zo complex en ver ontwikkeld orgaan dat men het onmogelijk
In een dergelijk primitief stadium van de evolutie zou kunnen tegenkomen.
Ook hier hebben we het overtuigende bewijs dat de evolutie van soorten slechts
bedrog is.
Laten we ook nog Williams G. Meister noemen, een ervaren fossielonderzoeker,
die een gefossiliseerde sandaalafdruk vond met in de hak een trilobiet. Wat
deed deze mens (die bovendien sandalen droeg) in het "tijdperk van de ongewervelde
dieren"? In verwarring gebracht door deze ontdekking, vroegen de geologen
Dr. Clifford Burdick om de onderzoekingen voort te zetten. Helaas voor de
evolutionisten vond hij nog meer sandaalafdrukken. Bovendien vond hij afdrukken
van blote kindervoeten. In een van deze afdrukken bevond zich ook een plat
getrapte trilobiet.
De mens, die in staat was sandalen te maken, leefde overduidelijk al in het
Cambrium. Dit betekent dat er geen evolutie is geweest, maar schepping.
3. Conclusie
We hebben zojuist gezien dat de mens niet alleen ten tijde van de dinosaurus
leefde, maar ook in het Ordovicium en het Cambrium. Aangezien de mens in het
begin, het midden en aan het eind van de geologische tijdschaal aanwezig is,
moeten we concluderen dat de indeling in hoofdtijdperken die evolutiefasen
kenmerken, denkbeeldig is: het is een moderne mythe.